De uitvaart van meneer Pietersen *
Meneer Pietersen is dood. Na een lang ziekbed is hij gestorven, omringd door al zijn dierbaren. Pastoor Schoppenkoning wordt gebeld door de uitvaartondernemer. Kennen wij meneer Jan Pietersen? Nee, dat niet. Kan gebeuren, met drie enorme parochies kun je wel eens een van de schapen niet meer kennen. Maar Jan Pietersen staat ook niet in de ledenadministratie. Kan ook gebeuren. Veel mensen zijn zich niet bewust dat ze bij een parochie horen, denk je dan maar. We hebben veel kaartenbaklijken (leden waar je nooit last of gemak van hebt) maar ook lijken die niet eens in de kaartenbak zitten. Gebeurt gewoon.
De familie van meneer Pietersen wil een mooie uitvaartmis in de centrale Sint-Juttemiskerk. Want dat wilde Jan zelf zo. Met daarna een crematie. Gaat meneer pastoor na de mis ook mee naar het crematorium?
Op bezoekBij het bezoek aan de familie Pietersen zit de kamer al vol. Op het formulier wat de uivaartondernemer had gemaild, ziet de pastoor al dat Jan Pietersen niet getrouwd was, maar samenwoont met een twaalf jaar jongere vrouw. Mevrouw Annie Klaassen* gedraagt zich echter helemaal als de weduwe. Maar wie zijn al die andere mensen in de kamer dan? Een beetje discrete navraag leert, dat Jan Pietersen na een eerdere echtscheiding Annie Klaassen had ontmoet, en die was ook net gescheiden, en daar zit de zoon van Annie met zijn vriendin, en daar zitten de kinderen van Jan met hun aanhang. Aangenaam kennis te maken. Maar ook voor de kinderen van Annie was Jan helemaal een echte pa, en voor de kleine van Jan’s zoon en vriendin was Annie echt ‘oma’. O ja.
Na een heel verhaal over het trieste sterven van meneer Pietersen (“we vroegen nog: Jan, wil je nog bediend worden, maar nee, dat hoefde niet voor hem…”) schrijft pastoor Schoppenkoning ijverig op hoe fijn het was dat Jan en Annie elkaar hadden leren kennen toen ze allebei zo alleen waren na hun mislukte huwelijk, en dat ze samen nog zó fijn nog zó lang van alles hebben kunnen genieten, tot dan die rotziekte er tussen kwam. Maar ja, hij had geknokt, hoor! Jan wilde niet dood! Maar ja, nu op het laatst was het ook wel genoeg. Hij moest zo lijden, onmenselijk gewoon! Dan ben je blij als het voorbij is. Ja, op een gegeven moment was hij er zelf ook aan toe. Toen de dokter een spuitje had gegeven, werd hij zó rustig. Hij is heel vredig ingeslapen. Het klinkt gek pastoor, maar het is goed zo. Hij heeft een mooi leven gehad. Daar denken we nu maar aan terug. Maar nu nog even over de dienst, pastoor. Wij hadden het er samen al over gehad…
Wij vragen, u draait.Ja, waar hadden ze het over gehad?
Jan hield heel erg veel van muziek, weet u. Hij was helemaal weg van vogeltjes, en daarom wilde hij per se de Vogeltjesdans tijdens zijn uitvaartmis, pastoor. En ook een stukje van André Rieu. We hebben alles al op een ceedeetje gebrand. Wat? Kan dat niet? Nee, in het crematorium hebben we al andere muziek. Wat is dat nou? Mag dat niet? Belachelijk! Wat is dat voor een Kerk die alles maar verbiedt? Wat nou, dat past niet in de mis? Het is ónze Jan hoor, ónze dienst! Daar heeft de Kerk niks mee te maken. Wat? O ja, we komen in de kerk. Een koor dat komt zingen? Zeker alles in het Latijn? Nee, ook wat anders? Nee, dan nog niet. Wij willen niet zo’n stel valszingende oude mensen – sorry, pastoor, niks tegen die mensen hoor, maar wij hebben het een keer meegemaakt en Jan zei al: ‘dát wil ik niet bij mijn uitvaart, Annie!’ Ja, wij begrijpen wel dat die mensen hun best doen. Maar wij willen voor Jan het allerbeste… kunt u niet één keertje een uitzondering maken? Nou zeg, wordt hier de laatste wens van de overledene niet meer gerespecteerd? (Zus van Jan loopt nu stampvoetend de kamer uit, smijt met de deur). Er valt een diepe stilte. En trouwens, pastoor, wie denkt u wel dat u bent? U jaagt de mensen zo écht de kerk uit, hoor, wat bent u nou voor iemand? Denkt u dat u de baas bent in onze kerk hier? Ik snap wel dat er niemand meer naar de kerk gaat, belachelijk, met al die regeltjes! Weer een diepe stilte. Een broer van Annie mengt zich in het gesprek. Hou er maar over op, Annie. Die man doet het tóch niet. Dochter Chantal komt er bij staan. Ik wil ook nog iets zeggen tijdens die dienst, of mag dat ook al niet? Dat wel? En mijn dochtertje heeft een tekening gemaakt voor opa. Broer Freek wil nog een eigen herinnering aan Jan voorlezen. En neefje Brian heeft een gedicht voor oom Jan. Kan dat ook? En namens de voetbalvereniging wil ook nog iemand spreken. De zus van Jan komt weer binnen. Ik heb even gebeld met Gerrie van Klaveren, en die kan heel mooi zingen. Die wil voor Jan wel een paar liedjes komen zingen, kan dat dan wél?
Misschien ook nog even een vraag over Jan, zegt de pastoor. Betekende het geloof ook nog iets voor hem? Had hij er steun aan toen hij ziek was? Had hij het ooit over… wat er na zijn dood zou zijn? Nou nee, Jan kwam nooit in de kerk. Nee, daar had hij eigenlijk niks mee. Weet u, toen zijn moeder overleed was hij heel boos op God. Waarom wij een uitvaart in de kerk willen? Nou gewoon, dat hoorde er voor hem toch wel ergens bij. Wat er na de dood is? Nee, daar zei hij nooit wat over. Hij was niet zo’n prater, weet u. Bidden? Nee, Jan bad nooit. Wij trouwens ook niet. Toen hij ziek was? Ook niet, nee, hij wilde alleen maar leven. Hij wilde niet dood. Ach, hij had eigenlijk niks met dat geloof…
De dag van de uitvaartDe kerk zit afgeladen vol. Gerrie van Klaveren komt zingen, met een artistieke meneer die een piano de kerk in heeft gereden. De viering begint. De familie brengt Jan naar voren, in tranen, de kinderen in hun beste spijkerbroeken, kauwgum kauwend, en in de bank slaan ze de armen om elkaar heen. Tijdens het voorlezen van het gedichtje barst Chantal in tranen uit, en de hele eerste rij met haar. Het gedicht van Brian wordt tussen weggeslikte tranen onverstaanbaar. Uiteindelijk hebben de aanwezige kinderen de kaarsen rond de kist aangestoken. “De schuldbelijdenis vindt u in uw boekje op bladzijde drie.” Boekjes blijven onaangeroerd, niemand bidt mee. Iedereen zit en blijft zitten, tot de pastoor bij het evangelie toch maar vraagt of iedereen wil gaan staan. De Schoppenkoning is de beroerdste niet, dus houdt hij na het evangelie een roerende persoonlijke homilie over het evangelie en het huis van de Vader waarin ruimte is voor velen. Ja, Jan was een goeie mens. Over de doden niets dan goeds. De pastoor kan het toch niet over zijn lippen krijgen dat Jan zijn nieuwe geluk vond bij Annie, maar ja, hoe kun je het zonder Annie zeggen? Moeten we dan alles maar goedpraten? “Nee, Jan kwam niet in de kerk, maar God is toch wel barmhartig, in zijn huis heeft Jezus plaats bereid voor velen. Laten wij dan hopen en geloven dat daar voor Jan ook ruimte is…”
Bij de communie nodigt de pastoor de katholieken uit om ter communie te gaan als ze werkelijk geloven dat Jezus aanwezig is, en in eenheid met de Kerk leven. Wat net zo weinig indruk maakt als alle andere gelovige woorden. Want ofschoon hij niet de communie uitreikt in de eerste bank, komt tóch bijna iedereen naar voren. Ja, bij een paar mensen moet hij er even achteraan of de bezoekers van deze uitvaart de Hostie toch maar willen nuttigen. Maar dat is hij gewend – communie uitreiken bij uitvaarten betekent dat de Schoppenkoning zijn engelbewaarder mee laat kijken wat mensen allemaal uitspoken met de H.Communie…
Na de communie zijn er nog de persoonlijke herinneringen aan Jan die zo voor iedereen klaarstond, altijd behulpzaam was, zo genoot van het leven, zo van zijn vogeltjes hield, en zo’n geweldige opa was, die altijd friet bakte op zondag, en die zo blij was met zijn Annie. En die zo van voetballen hield. Wat de voorzitter van de voetbalclub nog eens extra herhaalde, want Jan was de beste vrijwilliger in de kantine. Wat zullen ze hem missen. We zullen je nooit vergeten…
Nadat Gerrie het Ave Maria heeft gezongen, en een uurtje na aanvang, verlaat de familie de kerk op weg naar het crematorium waar dan alsnog de Vogeltjesdans zal klinken.
De parochie van pastoor Schoppenkoning heeft de familie van Jan Pietersen nog misintenties aangeboden uit de opbrengst van de collecte, maar daar heeft hij verder niets meer op gehoord…
Waarom doen wij ons dit aan?
Als dit nou slechts een hele grote uitzondering was, zou de kaartende pastoor er niks van zeggen.
Accidents can happen. Maar helaas is het onderhand een uitzondering als het bij uitvaarten eens wél normaal gaat. O, het wordt wel minder, ja. Want de Pietersens en Klaassens kiezen steeds meer voor een persoonlijke afscheidsdienst in het crematorium zonder kerk. In het geval van Jan Pietersen zou de parochie het niet eens hebben geweten dat er in de Fazantstraat iemand overleden was, want we kenden hem eigenlijk niet eens…
Maar waarom doen wij dit allemaal? Wie is hier nou zichzelf voor de gek aan het houden?
1) Wij zien dat mensen gewoon zonder blikken of blozen niets hebben met de Kerk en bovendien openlijk leven zoals de Kerk dat –
ahum – niet bepaald promoot. Was het niet zo dat mensen die pertinent en duurzaam in zonde leven, niet ter communie mogen? O nee, we willen niet oordelen, zo was het. Een oordeel uitspreken is erger dan de zonde bedrijven, zo is het toch? Maar waarom houden we er dan ook nog eens collectief onze mond over? Als de kaartende pastoor het zou wágen om de dingen voortaan bij de naam te noemen, kreeg hij beslist bezoek van zijn bisschop… Spreken is zilver en zwijgen is goud, toch? O, geldt dat ook voor de waarheid? Wist ik niet, monseigneur. Ik zal het nooit meer doen…
2) Wij kennen allemaal de diepe waarde van de Eucharistie, en kennen ook de liturgische regels. Maar tegenwoordig is het bespreken van uitvaarten een kwestie van tactisch onderhandelen geworden. Een beetje geven, een beetje nemen. Een pastoor is o zo blij als hij het weer gefikst heeft dat de essentiële bestanddelen van de Mis intact zijn gebleven. Ja, dat de gebeden van de Eucharistie als een tang op een varken slaan temidden van alle persoonlijke uitingen van ongeloof, wereldse flauwekul en symbooltjes met veel emoties, dat is dan jammer natuurlijk. Dat mensen gemiddeld niet meebidden of meedoen, dat benaderen we met zo veel mogelijk begrip. Dat we communie uitreiken aan mensen van wie je weinig oordeelsvermogen hoeft te hebben om te weten dat ze al héél lang geleden voor het laatst ter communie gingen, is sinds de handcommunie algemeen is ingevoerd, natuurlijk reden voor een hoop heiligschennis en exces. Maar ja, ook hiervoor geldt: wat wil je bisschop? Niet dat je gaat handelen naar de waarheid. Wat? Wat we Jezus aandoen? Moeten we ons daar dan druk om maken? Dat vindt u toch minder belangrijk dan de lieve vrede, of niet, monseigneur? Ja, u kunt er ook niks aan doen. (
Dikke neus)
3) Sinds het gezegende Tweede Vaticaans Concilie gaat elke liturgische viering geloof ik om het Paasmysterie. Wat doen we daarmee? Nou, dat we voortaan nooit meer spreken over de uitersten en al helemaal niet meer over de zuivering van onze zonden voordat we de hemel ingaan. Ik ook niet hoor! Ik kijk wel uit. Over de doden niets dan goeds. Iedereen gaat naar de hemel. “Als iemand het verdiend heeft, dan toch wel…” Nee, de enige die het verdiend heeft is Jezus Christus vóór ons. Niet die overledene, zo goed hij/zij het ook gedaan heeft. Maar wat is dat voor een Paasmysterie als we het allemaal zo schaamteloos in de uitverkoop gooien? Was dat Bloed van Christus dan niet kostbaar? Net zo kostbaar als zijn Lichaam wat ook al 40 jaar in de uitverkoop is gegooid. Kom maar. Pak het maar. Stop het maar in je zak. Nee, dat willen we niet, maar we doen ook niets om het te voorkomen. De verrijzenis? Ook als je er niet in gelooft, geven we het met een blij gezicht weg.
We houden ons in slaap met prachtige theorieën over ‘kansen’ in het pastoraat. Met de idee dat er nog zoveel geloof is bij mensen. Na honderd uitzendigen van
Kruispunt zijn we het met een blij gezicht zelf gaan geloven. Met de mildheid dat God niet oordeelt, en wij dus ook maar niet. En uiteraard met dooddoener dat het in de Kerk nu eenmaal zo werkt.
Zo werkt het nu eenmaalInderdaad zo werkt het allemaal. Per slot van rekening is ons hoofdkwartier gevestigd in Rome, Italië, een land waar je op elke straathoek struikelt over een kerk met een heilige die er begraven ligt. Maar ook het land met de meest dubbele moraal ter wereld. Waar de Kerk en de Maffia soms wel samen lijken op te trekken. Het land waar de Kerk zich druk maakt over het recht op leven van een ongeneeslijk zieke comapatiënt, terwijl de Kerk er zwijgt over de georganiseerde misdaad die zonder blikken of blozen een eervolle begrafenis krijgt na zoveel onschuldigen het leven te hebben genomen of het tot een hel te hebben gemaakt... Wie gepokt en gemazeld wordt in de mores van die wereldkerk, leert vanzelf weg te kijken, ja, misschien word je wel bisschop als je over die kwalificatie beschikt, om Italiaans te kunnen denken… “De leer is prachtig en de Paus is een heilige, maar het leven is anders…” Let maar eens op, als Berlusconi eens dit aardse leven verlaat, komt er echt wel een kardinaal opdraven om de uitvaartmis te doen. Wij doen het hier in feite precies zo. En de gewone gelovigen mogen het allemaal geloofwaardig vinden.
Daarom, mocht iemand op de nuntiatuur dit weblog meelezen, ik verwacht niet dat u er iets aan doet, hoor!
Ondertussen in Nederland
Ondertussen is de Kerk in Nederland op sterven na dood. Een farce geworden. Wij weten het en willen het niet weten. Wij houden de facade lekker overeind en houden onze mond. Met het episcopaat voorop. Ondertussen vluchten de gelovigen die God nog wél vrezen naar groepen, bewegingen en clubs die wél de zuivere leer bewaren. Nee, in de Buitengewone Ritus vind je deze misstanden niet. (Nee, die waren er voor het concilie ook niet, of wel?) Nee, in de kleine groepen die er nu écht voor kiezen vind je het niet. Nog niet. In de Nieuwe Bewegingen kun je ook veilig schuilen. Bij Opus Dei of Focolare bestaat dit niet.
Ondertussen ploetert de kaartende pastoor maar verder. Hij is niet zo bevoorrecht dat hij bij een nieuwe beweging is aangesloten, en bij de beweging van Petrus is het al eeuwenlang armoede. Gewoon parochiepriester. Gek hè, dat er maar zo weinig pastoors heiligverklaard zijn? Wij verdienen het ook niet. Gelukkig is Jezus er nog.
Ondank is zijn loon. De parochianen begrijpen hem niet – uitgezonderd de harde kern van zijn naaste medewerkers en trouwe bidzielen. Ja, misschien houdt hij het daarom wel vol. O nee, dankzij de H.Geest. De Schoppenkoning heeft zijn geloof niet verloren, omdat God wel móet bestaan als deze Kerk nog steeds bestaat.
En hij hoopt en bidt voor de overledenen voor wie hij dagelijks het H.Misoffer aan God opdraagt. Misschien doet hij daarom nog wel de Mis bij uitvaarten. Uiteindelijk is het Christus' werk voor arme zielen. En vooral voor die zielen die door iedereen worden vergeten. Al die arme drommels die alleen voortbestaan in herinneringen, maar voor wie niemand ooit nog bidt.
En hij hoopt dat hij, als het eens zijn tijd is om voor de rechterstoel te staan, dat hij dan een handje geholpen wordt om uit dat lange vagevuur verlost te worden, omdat hij in ieder geval heeft gebeden voor al die arme zielen die hem voorgingen. Want wie elk jaar zich moet bezondigen aan zoveel heiligschennende uitvaarten, en wie zich heeft laten dwingen om te zwijgen waarover hij eigenlijk had moeten spreken, die heeft boven wel iets uit te leggen. Althans, ik denk niet dat ik dat zelfs maar ga proberen. Deze kerkelijke praktijken zijn niet uit te leggen. Ik zal het maar houden bij “mea culpa, mea maxima culpa” en dan: “O God, wees mij zondaar genadig.”
Bij mijn sterven: geen bloemen, geen toespraken, maar wel HH.Missen. Veel HH.Missen…
Want ik geloof nog steeds in waarvoor ik bij mijn priesterroeping gekozen heb. Dat God er is. En dat ik als zijn onnutte dienstknecht misschien wel ergens nuttig voor geweest zal zijn.
Bid voor mij. En voor al mijn collega's die misschien dit weblog lezen en daardoor niet zo het gevoel hebben dat ze er helemaal alleen voor staan. Bidden wij voor elkaar...
* de namen in dit blogbericht zijn gefingeerd en iedere gelijkenis met de werkelijkheid berust beslist op louter toeval. Hoewel… meneer Pietersen is bijna meneer Elkerlyck… lijkt het wel.